Ik had beloofd aan Daan – zoon van een collega van mijn stageplek – om een aantal Nederlandse zinnen in het Deens te vertalen. Komen ze:
Dat gaat leuk worden: Det bliver godt! (=dat wordt goed) of: Det bliver sjovt (=dat wordt grappig).
Zijn we er klaar voor?: Er vi parate? of: Er vi klar?
Nee, echt waar?: Nej, virkelig!
Denemarken is (iets) groter dan Nederland! = Danmerk er (lidt) større end Holland
Excuseer me = Undskyld!
Hoe gaat het ? = Hvordan går det?
Mag ik de …? = Må jeg få…?
Vertrouw me = Du kan stole på mig
Het is jammer = Det er synd
Waar is …? = Hvor er …?
Heb jij de/het …? = Har du …en/et? [in het Deens maken "het" en "de" deel uit van het woord, de artikelen worden achteraan geplakt]
Waarom denk je dat? = Hvorfor tror du det?
Dit is zeer goed. Dit is niet goed. = Dette er meget godt. Dette er ikke godt. (ik neem aan dat je “dít” bedoelt)
We gaan ervoor = [is niet zo goed te vertalen...] Det gør vi bare (=dat doen we gewoon!)
De zinnen hieronder moet ik nog vertalen, maar ik zet ze er alvast in, zodat ik niet het briefje van Daan in de buurt hoef te hebben…
Ik heb dit gekregen.
Wat een geweldig land!
Ik vond het hier zo gezellig!
Het kan me niets schelen = Det interesserer mig ikke, of: Det rager mig en papand (het kan mij een kartonnen eend schelen
)